Aanpassing vormen van verlof en financiële Ondersteuning van loopbaanonderbreking

Nr. 97/78 dd 29 april 1997

De financiële ondersteuning van loopbaanonderbrekings- verlof wordt wettelijk geregeld. Dit heeft het kabinet besloten nadat uit de adviezen van de Stichting van de Arbeid en van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid brede steun bleek te bestaan voor financiële ondersteuning door de overheid van een regeling van werkgevers en werknemers voor loopbaanonderbreking. Voor adoptieverlof wordt betaling van maximaal vier weken op grond van de Ziektewet geintroduceerd. Daarnaast komt er een studie naar sparen voor verlof in geld en de fiscale aftrekbaarheid daarvan.

Dit zijn de hoofdpunten uit het kabinetsstandpunt over de adviezen die de Stichting van de Arbeid en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid hebben uitgebracht over de belangrijkste onderdelen van de nota "Om de kwaliteit van Arbeid en Zorg, investeren in verlof", kortweg de nota "Arbeid en zorg". Ook reageert het kabinet op het advies van de Sociaal-Economische Raad over aanpassing van de vakantiewetgeving. Minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het kabinetsstandpunt naar de Tweede Kamer gestuurd.

Minister Melkert vindt dat een nieuwe organisatie van het werk - de aanpassing van verlofmogelijkheden en het regelen van loopbaanonderbreking bijvoorbeeld - op de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van werkgevers en werknemers. Het kabinet ondersteunt die verantwoordelijkheid door met voorstellen te komen die het overleg tussen de sociale partners over (nieuwe) vormen van verlof makkelijker kunnen maken.

Tijdens de behandeling van de nota "Arbeid en zorg" van minister Melkert in de Tweede Kamer is een aantal moties aangenomen die in dit kabinetsstandpunt grotendeels worden uitgevoerd. Het kabinet leidt uit de opvattingen van de Kamer en uit de adviezen af dat er een breed maatschappelijk draagvlak is voor het moderniseren van vormen van verlof.

Loopbaanonderbreking

Op grond van de regeling voor loopbaanonderbreking kan een werknemer die zijn loopbaan onderbreekt voor een periode van minimaal twee en ten hoogste zes maanden een financieel steuntje in de rug krijgen.
Aan deze ondersteuning is de voorwaarde verbonden dat de loopbaanonderbreker wordt vervangen door iemand die een uitkering ontvangt of iemand die geen uitkering ontvangt maar wel minimaal twee jaar werkloos is en staat ingeschreven bij het arbeidsbureau (herintreders). De vervanger kan daardoor werkervaring op doen. Hij mag ook op een andere plaats dan die van de loopbaanonderbreker worden ingezet.

Een andere belangrijke voorwaarde is dat de loopbaanonderbreker zijn verlof moet gebruiken voor zorgtaken en studie. Onder het laatste wordt ook verstaan een planmatige bijdrage aan de verbetering van de arbeidskwalificatie van de loopbaanonderbreker. Dit sluit aan bij het advies van de Stichting van de Arbeid om de regeling een instrument te laten zijn in het nagestreefde beleid met betrekking tot 'employability'.

Het kabinet neemt het voorstel van de Stichting van de Arbeid over dat de vervanger in dienst kan worden genomen van een arbeidspool die hem plaatst bij de werkgever van de verlofganger. Daarmee wordt ondervangen dat het midden- en kleinbedrijf minder gebruik kan maken van de regeling omdat geen goede vervanger kan worden gevonden.

Ook de suggestie van de Stichting om het zogeheten palliatief verlof (verlof voor de verzorging van een naaste in de laatste levensfase) onder de regeling voor financiering van loopbaanonderbreking te brengen, heeft het kabinet overgenomen.
In de praktijk gaat dit betekenen dat een werknemer die palliatief verlof opneemt gedurende maximaal twee maanden een financiele tegemoetkoming krijgt zoals die ook geldt voor loopbaanonderbreking zonder dat hij vervangen wordt.

Het wetsvoorstel financiering loopbaanonderbreking is voor advies voorgelegd aan de Raad van State.

Adoptieverlof

Mensen die een buitenlands kind adopteren hebben behoefte aan verlof voorafgaand aan de adoptie, voor de reis naar het buitenland en tijdens de zogeheten hechtingsperiode die begint wanneer de ouders het kind gaan verzorgen. In ruim 40% van de cao's is de bepaling opgenomen dat een werknemer (betaald) verlof krijgt voor de adoptie van een buitenlands kind. De lengte van het verlof varieert van twee tot meer dan tien dagen.

Uit het kabinetsstandpunt blijkt dat het advies van de Stichting wordt overgenomen om het zogeheten hechtingsverlof van werknemers voor een periode van maximaal vier weken financieel mogelijk te maken via een uitkering op grond van de Ziektewet. Er komt geen wettelijk recht op hechtingsverlof. Het kabinet heeft er net als de stichting vertrouwen in dat werkgevers werknemers die in aanmerking komen voor deze uitkering, vrijaf geven.
Het kabinet zal wel de ontwikkelingen rondom hechtingsverlof op de voet volgen en alsnog met een wettelijke regeling voor dit verlof komen als blijkt dat werkgevers werknemers geen verlof toestaan.

Kraamverlof

In 94% van de cao's is een regeling opgenomen die de werknemer een of meer dagen kraamverlof toekent. In de Tweede Kamer is tijdens de behandeling van de nota "Arbeid en zorg" aangedrongen op uitbreiding van het kraamverlof in cao's. Zowel de Stichting van de Arbeid als de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid vinden het een goede zaak dat vaders na de geboorte een periode thuis blijven. Zij roepen werkgevers en werknemers op in cao's vast te leggen dat werknemers recht hebben op het opnemen van een aantal dagen vakantie in de periode van de bevalling. De beide adviescolleges voelen niet voor een uitbreiding van de wettelijke regeling van het kraamverlof.

Het kabinet volgt beide adviezen vanuit het vertrouwen dat de oproep aan de sociale partners een regeling te treffen voor een langere periode kraamverlof, effect zal hebben. Ook het advies de wettelijke regeling niet uit te breiden wordt overgenomen. In de huidige wettelijke regeling van het kraamverlof is de lengte daarvan niet vastgelegd.

Verlof en pensioenvoorziening

In de nota "Werken aan zekerheid" stelt het kabinet dat het niet wenselijk is dat werknemers of hun nabestaanden veel minder arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen krijgen als hen tijdens onbetaald verlof iets overkomt. Het ontbreken van een dekking tegen deze risico's en de onmogelijkheid pensioen op te bouwen voor eigen rekening tijdens een periode van onbetaald verlof, werkt belemmerd voor het opnemen van verlof.

Onderzoek heeft aangetoond dat een aantal cao's nog steeds een of meerdere van deze belemmeringen kennen. Dit ondanks de oproep van de Stichting van de Arbeid aan werkgevers en werknemers om het opnemen van verlof op dit punt te vergemakkelijken.
Het kabinet kondigt nu aan dat in 1998 opnieuw de relatie tussen verlof en pensioenen in cao's onderzocht zal worden. Als uit dit onderzoek blijkt dat de sociale partners er nog niet in geslaagd zijn de belemmeringen weg te nemen, komt het kabinet met regelgeving. Die houdt onder meer een minimumregeling in voor de dekking voor eigen rekening van het overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsrisico voor een vastgestelde periode van verlof.

Sparen voor verlof in tijd en/of geld

Een andere mogelijkheid voor het opnemen van verlof is dat de werknemer daarvoor zelf spaart in de vorm van tijd en/of geld. Sparen voor verlof kan een oplossing zijn voor het dalen of het wegvallen van het inkomen tijdens het verlof. Daarnaast past het in de visie van het kabinet in het tijdsbeeld: de werknemer is zelf verantwoordelijk voor het verloop van zijn loopbaan wat onder meer betekent dat hij bepaalt in welke levensfase hij meer of juist minder werkt.

Volgens de Stichting van de Arbeid komt door sparen voor verlof "arbeid op maat" op termijn binnen handbereik. Sparen voor verlof is in beginsel een zaak van de werknemer, maar de sociale partners kunnen zich ook voorstellen dat de werkgever een bijdrage levert afhankelijk van het doel van het verlof. De Stichting zegt in zijn advies positief te staan tegenover het fiscaal stimuleren van verlof. Daarbij kan worden gedacht aan het vrijgeven van het saldo van het spaarloon en het introduceren van een fiscaal voordeel voor loon dat wordt gespaard voor verlof.

Op grond van dit advies en van de opvatting van de Tweede Kamer heeft het kabinet besloten op korte termijn te beginnen met een onderzoek naar de mogelijkheden van sparen voor verlof in geld en de fiscale aftrekbaarheid daarvan.

Het sparen voor verlof in tijd sluit aan bij het voornemen van het kabinet om de vakantiewetgeving te herzien. Deze herziening heeft onder meer tot doel om werknemers de mogelijkheid te geven vakantiedagen over een langere termijn op te sparen. Het kabinet wilde aanvankelijk het sparen van wettelijke vakantiedagen binden aan een termijn van twee jaar en van bovenwettelijke vakantiedagen aan een termijn van vijf jaar. Ieder werknemer heeft wettelijk gezien recht op minimaal vier weken vakantie.

In het kabinetsstandpunt wordt het advies van een meerderheid van de Sociaal-Economische Raad gevolgd. Dat betekent dat de aanspraak op opgespaarde wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen na vijf jaar verjaart.

Informatie