Aandeel vrouwen betaald werk sinds 1985 sterk gestegen


Persbericht Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Nr. 97/65
9 april 1997


In 1996 had 45% van de vrouwen tussen 15 en 64 jaar een betaalde baan van 12 uur of meer per week. In 1985 lag dat percentage op 30, in 1990 op 39. Van de laagopgeleide vrouwen heeft 27% een betaalde baan van minstens 12 uur per week. Dit percentage is de afgelopen jaren nauwelijks gestegen. Onder mannen steeg het aandeel in betaald werk tussen 1985 en 1996 van 67% naar 72%.

Dit blijkt uit het Jaarboek Emancipatie '97, Arbeid en Zorg dat vandaag aan minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is overhandigd.

De uitgave van het eerste Jaarboek Emancipatie is verzorgd door de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid van het ministerie van SZW en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in samenwerking met het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Het jaarboek zal voortaan ieder jaar verschijnen met een speciaal thema.

Het eerste deel van het jaarboek geeft een beeld van de discussie over de combinatie van arbeid en zorg aan de hand van voorbeelden uit de praktijk. Daarnaast zijn er nuttige adressen, literatuurverwijzingen en wet- en regelgeving op het gebied van arbeid en zorg in opgenomen. In het tweede deel zijn statische gegevens vermeld over onderwerpen als betaalde arbeid, inkomen, zorg en onbetaalde arbeid en politiek en bestuur. Deze gegevens geven een beeld van de ontwikkelingen op het gebied van emancipatie.

Uit de statistieken blijkt dat de grotere deelname van vrouwen en mannen (ongeacht hun etnische afkomst) aan betaald werk samenhangt met de stijging van hun opleidingsniveau. Hoger opgeleide vrouwen werken echter minder dan hoger opgeleide mannen. Van de 2418 hoogleraren in Nederland is 4% vrouw. Overigens blijkt dat op alle opleidingsniveaus Surinaamse en Antilliaanse/Arubaanse vrouwen veel meer deelnemen aan het arbeidsproces dan Nederlandse vrouwen.
In de jongere leeftijdsgroepen zijn vrouwen minstens even goed geschoold als mannen. Bij de keuze van opleidingen houden vrouwen een voorkeur voor verzorgende en sociale studierichtingen. Hierdoor zal de oververtegenwoordiging van vrouwen in de (niet-commerciële) dienstverlening en verzorgende beroepen voorlopig blijven bestaan.

De cijfers van het CBS en het SCP tonen aan dat tweederde van de tijd die wordt besteed aan huishoudelijke taken en kinderopvang voor rekening van vrouwen komt. In gezinnen met jonge kinderen worden vrouwen voor driekwart van de tijd in beslag genomen door deze taken. De hoeveelheid tijd die samenwonende vrouwen besteden aan huishoudelijk werk daalt naarmate zij meer uren werken. Dat betekent bijna nooit dat mannen méér tijd aan het huishouden besteden.
De tijd die vrouwen besteden aan huishoudelijk werk is de afgelopen tien jaar gedaald, ongeacht het aantal uren dat vrouwen buitenshuis werken.

De verschillen in inkomen tussen mannen en vrouwen zijn nog aanzienlijk. In de lagere inkomensgroepen en onder mensen met een bijstandsuitkering zijn vrouwen oververtegenwoordigd. De groep mensen met een inkomen onder of rond het minimum telt 416.000 vrouwen en 322.000 mannen. In de categorie modale inkomens of hoger komen ruim 3 miljoen mannen en 550.000 vrouwen voor. In weinig gevallen is de bijdrage van vrouwen aan de inkomsten van een huishouden groter dan die van mannen. Dit kan voor een belangrijk deel worden verklaard door het feit dat veel meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken en in mindere mate hogere functies bekleden.

Met het Jaarboek Emancipatie 1997 wil het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bijdrage leveren aan de discussie over het combineren van arbeid en zorg.

Het Jaarboek Emancipatie '97, Arbeid en Zorg kost f 44,75 en is verkrijgbaar in de boekhandel of bij VUGA Uitgeverij BV, Postbus 16400, 2500 BK Den Haag, telefoon 070 - 3819900. Het ISBN is 90 5749 001 3. Het is ook mogelijk bij VUGA Uitgeverij BV een abonnement te nemen op deze en volgende uitgaven van het Jaarboek Emancipatie. In dit geval kost het eerste jaarboek f 36,-.

info