jaarboek

Toespraak door minister A.P.W. Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij de presentatie van het Jaarboek Emancipatie in Perscentrum Nieuwspoort te Den Haag op 9 april 1997.

Persbericht Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Nr. 97/63
9 april 1997

Volgens planning moet voor het einde van deze eeuw de Nederlandse vrouw uitgeëmancipeerd zijn. Dat las ik in de NRC-bijlage naar aanleiding van Internationale Vrouwendag.

Het was een mooie openingszin. Maar ik ben het er niet mee eens. De lat is inmiddels een stuk hoger gelegd. Het gaat er al lang niet meer om of vrouwen al dan niet genoeg geëmancipeerd zijn. Maar of de maatschappij genoeg geëmancipeerd is. Het gaat om een soepele combinatie van arbeid en zorg voor mannen en vrouwen. En de infrastructuur die daar bij hoort.

Ik kan u verzekeren dat de inhoud van het Jaarboek alle ingrediënten biedt voor discussie, activiteiten en nieuw beleid. En dat stond ons ook voor ogen toen we tot het Jaarboek besloten. We wilden een toegankelijke statistische onderbouwing van belangrijke beleidsthema's in combinatie met artikelen en interviews. Verkrijgbaar voor iedereen in de boekhandel.
Want beleid begint bij het verzamelen, ordenen en doorgronden van de materie. Dat geldt voor de overheid en voor iedereen die zich met beleid bezig houdt. Voor sociale partners, het bedrijfsleven, en maatschappelijke organisaties.

En die zullen we allemaal nodig hebben. De inzet van al die partijen. Zeker bij het onderwerp arbeid en zorg.

Of we die soepele combinatie van arbeid en zorg halen voor het eind van deze eeuw valt te bezien. Daarvoor moeten we in de inhoud van het Jaarboek duiken. En om het beeld extra scherp te stellen, wil ik daarbij de resultaten van een nieuw onderzoek betrekken dat vandaag of morgen verschijnt. Het is een inventarisatie van cao-afspraken van sociale partners over emancipatie en de doorwerking daarvan in de bedrijven.

Eén conclusie is overduidelijk. Nederland kampt met een gebrekkige infrastructuur voor de combinatie van arbeid en zorg.

Want wat blijkt uit het Jaarboek?

Eerst de positieve trends.

We zien dat meisjes en vrouwen hun onderwijsachterstand hebben ingehaald. Dat laat zich zelfs nog beter omschrijven.
De jonge generaties vrouwen lijken in opleidingsniveau de mannen te gaan overtreffen. En meldt het Jaarboek: tweederde van de 15- tot 24-jarigen volgt nog onderwijs. Alles wijst er op dat het gemiddelde opleidingsniveau nog zal stijgen. Jonge vrouwen zijn een weerbare groep geworden. Een weerbare groep die een nog grotere bijdrage zal leveren aan onze economie in de toekomst.

Want uit alles blijkt dat vrouwen hun opleiding willen verzilveren op de arbeidsmarkt. Ook als er kinderen zijn. De cijfers uit het Jaarboek bevestigen de inhaalslag die vrouwen maken op de arbeidsmarkt. En het is frappant dat de sterkste stijging te vinden is bij vrouwen met kinderen. Hier kun je bijna volautomatisch de sterke groei van deeltijdwerk aan koppelen.

Maar onder de bemoedigende trends van onderwijsniveau en arbeidsparticipatie van vrouwen, ligt ook een andere problematiek die niet genegeerd mag worden. De slechte arbeidsmarktpositie van laag opgeleide vrouwen en de moeilijke positie van bijstandsmoeders.

De combinatie van arbeid en zorg is voor hen misschien wel het moeilijkst te realiseren.

Over de hele linie laat het Jaarboek zien dat van het duo arbeid en zorg, de zorg de echte achilleshiel is.

Want wat blijkt.
Tweederde van de tijd die wordt besteed aan het huishouden en de kinderen komt voor rekening van vrouwen. Als er jonge kinderen zijn zelfs driekwart van de tijd. Vrouwen blijken de tijd die nodig is voor het huishouden efficiënt te kunnen indikken als er buiten de deur nog een baan wacht. Ze moeten wel. Mannen steken nauwelijks een hand extra uit.

En voor alleenstaande ouders geldt - en dan denk ik zeker ook aan bijstandsmoeders - dat zij de zorg niet kunnen delen. Ze staan er alleen voor. Juist hier is de behoefte aan goede voorzieningen het grootst. Betaalbare voorzieningen ook voor de laag opgeleide vrouwen.

Kinderopvang is zo'n voorziening.
Er zit groei in de kinderopvang, constateert het Jaarboek. Maar de wachtlijsten blijven onverminderd lang. Het grootste knelpunt is de buitenschoolse en betaalbare opvang. Onze kinderen worden groot. Maar het aanbod aan voorzieningen dreigt klein te blijven.

We trekken er hard aan. En de 85 miljoen die we vanaf 1996 jaarlijks inzetten voor kinderopvang en dan vooral buitenschoolse opvang speciaal voor bijstandsmoeders, moet enige soelaas bieden. Maar toch.
De infrastructuur, nodig voor een soepele combinatie van arbeid en zorg, is nog steeds gebrekkig. En dat moeten we ons aantrekken. Ook de sociale partners. Want wat zie je in het zojuist verschenen onderzoek van de Arbeidsinspectie naar emancipatie-afspraken in cao's en het bedrijvenonderzoek?

82% van de vrouwen blijft in dienst nadat ze een kind gekregen hebben, zeggen de werkgevers die bij dit onderzoek betrokken waren. Dat is veel. Zo'n gegeven maakt extra nieuwsgierig naar de combinatie-arrangementen die zijn afgesproken.

Vooraf dient gezegd te worden dat de trend in het algemeen positief is. In vergelijking met een onderzoek uit 1990 blijkt dat er meer afspraken zijn over zorgverlof, calamiteitenverlof, kinderopvang en deeltijdwerk.

Dat is mooi, maar is het voldoende?

Als ik me goed herinner, leverde de beldag van de FNV van vorige week niet zo'n positief resultaat op wat betreft het in de praktijk realiseren van deeltijdwerk. De definitieve resultaten zullen we moeten afwachten, maar het nuanceert op zijn minst het resultaat van het cao-onderzoek op dit punt.

Wat betreft de kinderopvang.
De stijgende lijn van afspraken over kinderopvang moeten we positief waarderen. Maar die afspraken hebben wel vooral betrekking op kinderen tot 4 jaar. Terwijl we weten dat er een grote behoefte bestaat aan opvangmogelijkheden voor kinderen die op school zitten. Voor minder dan één procent van deze kinderen is opvang. Er zijn minstens 50.000 plaatsen nodig.

Een ander punt van zorg is het aantal cao's met afspraken, de aard van die afspraken en de mate waarin ze in de praktijk werken.

In 56,5% van de onderzochte cao's komen afspraken voor. Wie het positief wil zien zegt: dat is meer dan de helft. Maar even waar is natuurlijk dat bijna de helft geen afspraken kent. Het beeld kan nog somberder worden als we bedenken dat de cao's die nu onderzocht zijn, van toepassing zijn op bijna 40% van de werknemers. Hoe staat het er voor die andere 60% voor?

En dan de aard van de afspraken.
Positief voor een deel. Maar 21,5% van de afspraken gaat over experimenten of onderzoek. In sommige cao's kunnen alleen vrouwen een beroep op de afspraak doen. Dat kan toch lastig zijn als we er vanuit gaan dat kinderen ook vaders hebben. We hebben het toch over combinatiemogelijkheden voor moeders en vaders.

Dat eenzijdige beeld zie je ook terug in het bedrijvenonderzoek. Eén op de tien bedrijven geeft aan dat kinderopvangregelingen niet nodig zijn want er werken bijna geen vrouwen. Er zijn hele sectoren waar nauwelijks afspraken bestaan omdat er minder vrouwen in dienst zijn.
En één op de vijf bedrijven geeft aan dat kinderopvang een verantwoordelijkheid is van de ouders of - in ieder geval - geen verantwoordelijkheid van de werkgever. Dat is niet erg bemoedigend.

Tot welke conclusies kunnen Jaarboek en cao-onderzoek in hun samenhang leiden?

De groeiende arbeidsparticipatie van vrouwen hebben we hard nodig. Steeds meer wordt erkend dat we de kennis, kunde en inzet van vrouwen en mannen nodig hebben om onze gunstige sociaal-economische ontwikkelingen in de toekomst door te kunnen trekken. We kunnen ons niet veroorloven achteloos om te gaan met de helft van het potentieel in maatschappij èn economie.

Daarop is die extra inspanning om de combinatie van arbeid en zorg soepeler te laten verlopen, gericht. In gezamenlijke verantwoordelijkheid. Overheid èn sociale partners.

Aan richtingwijzers ontbreekt het niet. Er ligt de aanbeveling voor het combinatiescenario van de commissie Bruyn-Hundt. Er liggen adviezen van de Emancipatieraad, van de Stichting van de Arbeid, van de Sociaal-Economische Raad. En allemaal wijzen ze - met een kleine variatie zo hier en daar - dezelfde richting uit: we moeten investeren in de combinatie arbeid en zorg.

Maak het waar is mijn dringende oproep. Beter dan 1% extra op de loonstrook is een investering van 2% in het combinatiepakket. Dat is namelijk investeren in de toekomst.

Beleid begint bij het verzamelen en het ordenen van het materiaal. Wij hebben met het Jaarboek en het cao-onderzoek een fikse voorzet gegeven. Ik dank iedereen die hieraan heeft meegewerkt.

Het doorgronden van de materie en vooral het omzetten in beleid moet de volgende stap zijn. Door alle medespelers.

info