Toespraak door minister A.P.W. Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens het symposium 'Lusten en lasten van kinderopvang' van de Emancipatieraad op 3 april 1997 in Den Haag.
Persbericht Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Nr. 97/54
3 april 1997
Dank u wel, mevrouw Den Ouden, voor dit interessante advies dat u de titel 'Van lasten en lusten' hebt meegegeven. Lasten en lusten, voor- en nadelen van kinderopvang. Wat mij betreft moet de balans doorslaan naar de lusten. Temeer nu kinderopvang zich ontwikkelt tot een voorziening die in de samenleving van vandaag -en zeker in die van morgen- een vanzelfsprekend onderdeel is van al die andere voorzieningen en regelingen waarop economisch zelfstandige volwassenen een beroep moeten kunnen doen.
Want de ontwikkeling is onmiskenbaar: kinderopvang komt in hoog tempo uit de sfeer van het pionierswerk. Kinderopvang wordt in toenemende mate economisch noodzakelijk. Kinderopvang betekent investeren in een hogere participatiegraad van vrouwen en van mannen. Investeren in een nieuwe balans tussen loopbaan en gezin, daar gaat het om. Dat moet toch lonend zijn.
Lonend, omdat er de komende jaren meer ruimte moet komen voor economisch zelfstandige en geëmancipeerde vaders en moeders. Kinderopvang is daarbij van belang, maar er is méér nodig. Ik denk aan korte of lange verlofregelingen voor scholing of zorgtaken, aan nieuwe manieren om te sparen voor verlof, aan loopbaanonderbreking. Werkgevers en werknemers denken daarover mee. Het is ook in hun eigen belang dat ze zoeken naar mogelijkheden om alle werknemers, in elke levensfase, volwaardig te laten participeren. Daarvoor is herbezinning nodig op de relatie tussen werk en al die andere taken die het bestaan interessant, maar ook drukbezet maken.
Met die herbezinning zijn we bezig.
De roep om te werken aan een andere indeling van de dag, een nieuwe kijk op de loopbaan, klinkt steeds luider. Die roep klinkt ook door in een pleidooi dat ik onlangs las om werknemers veel vaker de kans te geven in deeltijd te werken. En om in de bedrijven meer rekening te houden met die balans tussen werk en privé. Geen in het oog springende uitspraken als ze worden opgetekend uit de mond van vakbondsmensen of veranderingsgezinde politici. Maar deze keer was het de bestuursvoorzitter van een groot accountantskantoor die zich zorgen maakte over de uitstroom van teveel goede medewerkers, vrouwen en mannen.
Meer deeltijd, een betere balans tussen privé en werk om te voorkomen dat vooral vrouwen vroegtijdig uit het beroepsleven stappen. Dat vindt het accountantskantoor nodig, vooral om waardevolle vrouwelijke werknemers voor het bedrijf te behouden. Een grote onderneming waar het besef groeit dat een andere waardering van de combinatie van werk met zorg, studie of vrije tijd aanpassing vraagt van de arbeidsorganisatie. Omdat een alerte ondernemer niet achteloos voorbij kan gaan aan belangrijke maatschappelijke trends.
Trends in de samenleving die worden onderkend en ondersteund door een brede stroming in de politiek. Zowel de regeringspartijen als de oppositie uiten zich bij herhaling over de combinatie van arbeid en zorg in het gezin en over de positie die kinderopvang daarbij inneemt. Vooral de naschoolse opvang baart de Kamer zorgen, zoals blijkt uit de motie-Van Nieuwenhoven. Ik deel de ongerustheid van de Kamer.
Want hoe staat het er vandaag voor met de kinderopvang in Nederland?
Op dit moment maken ruim honderdduizend kinderen van nul tot vier jaar gebruik van een of andere vorm van georganiseerde kinderopvang. Dat is ongeveer dertien procent van alle kinderen. Maar er is nog een groot tekort. Op de wachtlijst van nul- tot vierjarigen staan nog duizenden kinderen. Dat zijn er minder dan een paar jaar geleden, maar het zijn er nog steeds veel te veel. Er zijn tekorten bij alle vormen van kinderopvang, maar er is vooral een groot tekort aan de goedkopere plaatsen die door de gemeenten worden gesubsidieerd.
Van die gesubsidieerde plaatsen maken vooral kinderen van alleenstaande ouders, van allochtonen en van mensen met lagere inkomens gebruik. De gestaag toenemende deelname van vrouwen aan betaald werk, wettigt de verwachting dat de wachtlijsten weer aan zullen groeien als er geen uitbreiding van de opvang komt.
Is er al een tekort aan opvangvoorzieningen voor kinderen in de voorschoolse leeftijd, met de voorzieningen voor schoolgaande kinderen is het nog slechter gesteld. Voor de kinderen in de leeftijdscategorie van vier tot dertien is nog hoegenaamd geen opvang beschikbaar. Er zijn maar een kleine veertienduizend plaatsen. Minder dan één op de honderd kinderen tussen vier en dertien kan gebruik maken van opvang.
Dat is verontrustend omdat de kinderen van nul tot vier ook als ze vijf jaar en ouder zijn moeten worden opgevangen. Het kan toch niet zo zijn dat ouders, zodra hun kinderen niet meer voor de voorschoolse opvang in aanmerking komen, minder moeten gaan werken of op moeten houden met werken? Soms biedt het informele circuit uitkomst, maar vaak is dat geen vrije keuze. Of, nog erger, dat ouders hun kinderen buiten de schooltijden aan hun lot over moeten laten, met alle mogelijke nadelige gevolgen van dien?
Het is toch veel beter in overleg met het onderwijs en in samenspraak met de kinderen tot opvangvoorzieningen te komen voor kinderen waar ze kunnen spelen, huiswerk kunnen maken of tegen een bal kunnen trappen. Een plek waar leren samengaat met sport, spel en ontspanning, onder deskundige leiding.
Het kabinet kan putten uit een rijke collectie aan adviezen van maatschappelijke organisaties over buitenschoolse opvang. Het advies dat ik zojuist van mevrouw Den Ouden heb gekregen past ongetwijfeld in die belangwekkende reeks. Al die adviezen hebben gemeen dat ze het grote belang van kinderopvang onderstrepen. En al die adviseurs vinden ook dat kinderopvang een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van overheid, ouders en sociale partners.
Als we zoeken naar verantwoorde vormen van buitenschoolse opvang, doen we er goed aan ook een blik over de grenzen te werpen. Dan zien we dat de Fransen de afgelopen tien jaar hard hebben gewerkt aan meer opvang. En dat Duitsland sinds kort zelfs een wettelijk recht op kinderopvang kent. Maar de blik blijft als vanzelf iets langer op het noorden gericht.
Want de Scandinavische landen zijn het verst gevorderd met voorzieningen voor kinderopvang. In Zweden en Denemarken, waar bijna evenveel moeders als vaders werken, neemt de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid voor de kinderopvang. Zij organiseert, subsidieert en ziet toe op de kwaliteit. In Denemarken maakt bijna de helft van de kinderen tot drie jaar gebruik van opvang. Van de drie- tot zesjarigen is dat meer dan tachtig procent en een kwart van de kinderen tussen zes en tien jaar maakt gebruik van opvangvoorzieningen.
De verschillende landen met hun uiteenlopende stelsels van kinderopvang vormen evenzovele inspiratiebronnen, waaraan wij ons kunnen laven. Maar uiteindelijk zullen we in Nederland ons eigen pad moeten banen. Daarbij zullen we rekening moeten houden met de politieke en maatschappelijke opvattingen in ons land.
Er moet nog een flink bouwwerk voor de kinderopvang worden neergezet in de komende jaren. Gelukkig hebben en krijgen we daarvoor de nodige blauwdrukken. En al sluiten die blauwdrukken niet op alle punten naadloos op elkaar aan, ik signaleer dat er naast verschillen vooral veel punten van overeenkomst zijn. Dat er -ook over de grenzen van de paarse coalitie heen- op belangwekkende punten consensus groeit. Van die brede consensus moeten we gebruik maken om een forse stap voorwaarts te zetten.
De eerste stap die mijn collega's van VWS en ik willen zetten is die van uitbreiding van de opvangfaciliteiten voor kinderen van vier tot twaalf jaar. Onze inzet voor het overleg over de begroting van volgend jaar is een forse impuls te geven aan kinderopvang voor juist die leeftijdscategorie.
Maar daarmee zijn we er niet.
De overheid zal haar eigen bijdrage moeten blijven leveren aan de modernisering van de arbeidsmarkt. Zij zal de voorwaarden moeten scheppen voor goede omgangsvormen op die nieuwe arbeidsmarkt. Daarbij hoort ook kinderopvang. De overheid moet zorgen voor een goede infrastructuur voor de opvang. Zij heeft de taak te zorgen dat er voldoende voorzieningen komen en dat de kwaliteit van die voorzieningen goed is. Maar die verantwoordelijkheid deelt de overheid met de ouders en de sociale partners.
Gedeelde verantwoordelijkheid, ook bij de financiering van de kinderopvang. Voor de sociale partners is uitbreiding van kinderopvang een mooie bestemming voor een deel van de loonruimte. Ik onderschrijf dan ook van harte de aanbeveling van de Stichting van de Arbeid aan de cao-partijen om onversaagd door te gaan met het maken van afspraken over kinderopvang.
En ik voeg er mijn eigen aanbeveling aan toe: ook het nakomen van afspraken. Want vanzelfsprekend is kinderopvang in Nederland anno bijna 2000 nog onvoldoende.