Toespraak van minister A.P.W. Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het VNG-congres 'Sociale activering: zorg, welzijn en arbeidsmarkt' op 13 maart 1997 in de Ruwenberg te Sint Michielsgestel.
Persbericht Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Nr. 97/45
13 maart 1997Sociale activering is een containerbegrip, stelt de VNG in één van de stukken die ik voor dit congres ontving. Het speelt op de scheidslijnen van sociale zaken en arbeid, welzijn en gezondheidszorg. Het verbindend element - nog steeds volgens de VNG - is het lokale beleid en de lokale uitvoering.
Ik wil het begrip sociale activering anders benaderen. Vanuit de mensen. Welke mensen hebben we op het oog? Voor wie ontwikkelt u beleid?
Ik denk dat we dichter bij de kern van het probleem komen als we zeggen: het gaat vooral om mensen in de bijstand. Mensen die er uit kunnen komen en mensen die dreigen in de bijstand te blijven steken. De kansrijken en de kansarmen. Ook wel stigmatiserend de "blijvers in de bijstand" genoemd. Accepteren we dat stigma?
Mensen in de bijstand. Dat begrip moeten we afpellen.
Wie zijn het? Om hoeveel mensen gaat het? Wat kunnen mensen zelf? Wat kan de politiek? Daarom wil ik vanmiddag ook het vizier scherp stellen op de beleidsinstrumenten die u ten dienste staan.
Eerst de mensen.
Ruim 470.000 mensen zijn voor korte of langere tijd op de bijstand aangewezen. Dat zijn er veel. Maar wel 130.000 minder dan in 1994 nog werd verwacht.
Ongeveer de helft van die 470.000 mensen heeft een redelijke kans de bijstand te verlaten. In de meeste gevallen omdat ze werk vinden. Het zijn de jonge mensen tot zo'n vijfendertig jaar met een behoorlijke opleiding die de beste kansen hebben. Maar ook jonge mensen met een lage opleiding hebben een behoorlijke kans op werk. Of mensen boven de 35 en hoog opgeleid. Die hebben een redelijke kans.
Deze mensen met redelijke tot goede kansen onderscheiden zich niet alleen naar leeftijd en opleiding. Ze zijn optimistischer, zoeken intensiever, staan vaker ingeschreven bij een uitzendbureau of volgen omscholingcursussen. En ze stellen in verhouding lage eisen aan een toekomstige baan. "Eerst een voet tussen de deur", lijkt hun parool.
Ongeveer 250.000 mensen hebben aanmerkelijk minder perspectief. Het zijn voor een deel de mensen zonder sollicitatieplicht. Mensen van 57 en 1/2 jaar en ouder. Mensen die om sociale of medische redenen - meestal tijdelijk - niet hoeven te solliciteren. En moeders met kinderen onder de 5 jaar.
Maar het zijn even goed de mensen mèt een solliciatieplicht. Hun perspectief wordt na 2, 3 jaar bijstand echt moeilijk. Het zijn de moeders met kinderen vanaf 5 jaar. Vrouwen die soms al heel lang van de arbeidsmarkt zijn. Zij vormen een grote groep.
Onder deze 250.000 mensen zijn er ook die de motivatie hebben verloren. Ze zijn vaak ouder en weinig of niet geschoold. Soms in combinatie met ontoereikende sociale vaardigheden.
Het gaat ook om gezinnen waarin de problemen zich op stapelen. En het gaat - niet in de laatste plaats - om gezinnen waarvoor dreigt dat de bijstand van generatie op generatie wordt doorgegeven. En dan zijn er de dak- en thuislozen, de verslaafden en mensen met een psychische handicap.
Hoe redden al deze mensen het?
Door te blijven hopen op een baan. Via vrijwilligerswerk of via scholing.
En een aantal heeft zijn eigen arbeidsmarkt gecreëerd. Zwart of grijs wel te verstaan. Een groep die genoemd moet worden, maar vandaag niet hoofdonderwerp van gesprek is.
En er zijn mensen die zich eerst en vooral op thuis concentreren. Omdat dat het meeste houvast biedt. Maar dan wordt de wereld wel heel erg klein. Dan ligt sociaal isolement op de loer.
Dit is in het kort een typering van de 470.000 mensen om wie het gaat. Een typering van de mensen met wie u te maken hebt. En tegelijk doen we hen hiermee te kort. Niemand is hetzelfde. Geen enkele situatie is gelijk. Maar één zaak hebben ze gemeen. De behoefte aan een stimulerende opstelling van een goed functionerende sociale dienst. Daarom is uw opdracht: werk op maat leveren, persoonlijk en doelgericht.
Het kabinet heeft fors ingezet omdat voor u ook mogelijk te maken. Straks als alles afgerond is, staan er veel meer mogelijkheden tot uw beschikking dan ooit tevoren om de mensen inderdaad op maat, persoonlijk en doelgericht aan te spreken en te begeleiden. En dat moet. De brug tussen blijvend of tijdelijk in de bijstand is een brug die alleen ù kunt slaan.
Wat heeft u aan instrumenten tot uw beschikking?
Veel. Maar vandaag wil ik het toespitsen op de Wet inschakeling werkzoekenden en de experimenteermogelijkheden in de Bijstand.
Het zijn de twee uiteinden van het spectrum aan mogelijkheden dat u ter beschikking staat of komt te staan. Kenmerkend voor beide is: meer ruimte, meer armslag voor de gemeenten. Met als uitkomst en uitdaging: veel meer mogelijkheden voor mensen en maatschappij.
Eerst de experimenten, beperkt in aantal, vooral om ervaring op te doen.
Bij de experimenten in de bijstand gaat het om een tijdelijke ontheffing van verplichtingen in de bijstand. Verplichtingen die soms haaks staan op de mogelijkheden om beleid voor langdurig werklozen te ontwikkelen.
De gedachte achter de experimenten is niet - en dat zeg ik met nadruk - die mensen komen toch nooit meer aan de bak. Dus laten we iets verzinnen. De gedachte is wèl - dat is de leidende gedachte - meer mogelijkheden voor mensen om maatschappelijk actief te zijn. Juist als de afstand tot de arbeidsmarkt groot of heel groot is. Als al bij voorbaat de psychologische muur van "blijvers in de bijstand" is opgetrokken. Juist het omgekeerde willen we bereiken. Maatschappelijk actief met behoud van uitkering. Zonder dwang.
En dan kunnen er twee dingen gebeuren.
Of zo'n experiment geeft mensen zoveel zelfvertrouwen dat ze gaan geloven in het perspectief naar de arbeidsmarkt. En de gemeente springt erin met scholing, begeleiding en toeleiding.
Of die baan is echt geen reëel perspectief. Maar dan weet je dat de gemeenschap je graag ziet meedraaien en je hebt er zelf ook voldoening van. Inmiddels zijn 25 aanvragen voor een experiment goedgekeurd. Verdeeld over heel Nederland en met een redelijke spreiding over grote en kleine gemeenten. Binnenkort kan nog een groot aantal beslissingen worden tegemoet gezien.
In die goedgekeurde experimenten zie je die tweeslag van doorbreking van het sociaal isolement en de eerste voorzichtige stappen naar wellicht weer je eigen inkomen kunnen gaan verdienen. Wat dit laatste betreft gaat het bijvoorbeeld om een aanbod dat bijstandsgerechtigden weer een reëel beeld geeft van hun mogelijkheden of om trainingen in sociale vaardigheden.
Gericht op het doorbreken van sociaal isolement en weer in contact komen met andere mensen, zijn er projecten in de sfeer van het club en buurthuiswerk, aanvullende activiteiten in het bejaardenwerk of het instandhouden van industrieel erfgoed.
De beoordeling van de experimenten gebeurt uiteraard met grote zorgvuldigheid omdat het hier om een voor rijk èn gemeenten belangrijke beleidsverkenning gaat. Meer dan eens wordt met de indienende gemeente overleg wordt gevoerd omdat soms bijstelling van de aanvraag de kans op toekenning vergroot.
Maar naar aanleiding van de beoordeling - tot nu toe - van de ingediende experimenteervoorstellen moet mij wel iets van het hart. We stuiten hier en daar zichtbaar op het fenomeen dat het versoepelen van de eisen niet alleen ruimte schept, maar ook het risico van grensverlegging oproept.
Het gaat daarbij om grensverlegging in de eisen aan mensen die heel wel in staat moeten worden geacht in hun eigen inkomen te voorzien. Artikel 144 is er niet om het bijstandsgerechtigden of sociale diensten vrijblijvender te maken.
Geen rechten zonder plichten. Dat dient het motto te blijven. Ook bij het verruimen van de mogelijkheden tot sociale activering.
Ik veroorloof mij deze opmerking omdat ik teveel experimenteeraanvragen tegenkom waar ik een vraagteken bij moet zetten.
Ofwel de aanvraag beoogt werk met behoud van uitkering mogelijk te maken. Maar voor werk hebben we andere mogelijkheden, waarover zo dadelijk meer. Ofwel het zijn experimenten die mensen zonder voorwaarden de ruimte willen geven om hun eigen leven in het kader van zorg- of vrijwilligersactiviteiten zo in te richten dat ze geen last hebben van controle of begeleiding.
Het staat iedereen vrij om hiernaar te streven. Maar dan niet vergezeld van het recht op een uitkering, voorzover het gaat om mensen die ook geschikt zijn voor betaalde arbeid.
Nu ik hier toch ben, wil ik voor alle duidelijkheid op dit punt nog wel een keer verwijzen naar het correcte beleid van B&W van Sint Michielsgestel in de kwestie van mevrouw Resink waarover ik ook de Tweede Kamer heb geantwoord.
En hoe paradoxaal het ook moge klinken: hoe meer mensen ontheven zullen zijn van de elementaire verplichtingen in de ABW, hoe minder kans er is dat sociale activering voor degenen die alleen daarop zijn aangewezen een structurele plaats kan krijgen in de wet.
Want de Bijstandswet blijft de wet die er vanuit gaat dat de burger in zijn eigen inkomen voorziet, tenzij...
Vanuit de werkelijkheid van de ABW blijft het echter geboden op ieder niveau te proberen passieve afhankelijkheid om te zetten in actieve deelname. Op weg om van de Bijstandswet een Participatiewet te maken.
Dan de WIW.
De Wet inschakeling werkzoekenden. In de kern de meest directe springplank naar de arbeidsmarkt. Met een aanbod van dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen.
Voor u een vereenvoudiging ten opzichte van de bestaande banenpoolregeling en de JWG. En tegelijkertijd ook een uitbreiding van de mogelijkheden om mensen aan de slag te helpen. Met een eenduidige financiering. Er komt een Werkfonds van ongeveer 1,7 miljard gulden per jaar.
U kunt in de toekomst met de WIW werkloze jongeren onder de 23 jaar en mensen die langdurig zonder werk zitten scholing aanbieden, een werkervaringsplaats, een baan.
Die baan - ofwel de dienstbetrekking - is niet nieuw voor u. Die mogelijkheid bestond al in de banenpoolregeling en de JWG. In het kort komt het er op neer dat u de mensen in dienst neemt en vervolgens detacheert bij werkgevers in de marktsector of in de collectieve sector.
Nieuw zijn de werkervaringsplaatsen. De crux is dat mensen werkervaring opdoen bij een gewone werkgever. Met het geld uit het Werkfonds kunt u tijdelijk, met een maximum van twee jaar, aan de werkgever een loonkostensubsidie geven.
We willen meer dynamiek in de gesubsidieerde arbeid. En dat betekent dat we ook anders naar scholing en arbeidsvoorwaarden kijken.
De mogelijkheden voor scholing worden verruimd. De kosten kunnen door u gedekt worden uit de reguliere middelen, en voor zover dat niet kan, uit het vaste budget dat in de WIW beschikbaar is. Mensen kunnen werken en leren tegelijk met behoud van loon. Tenminste als er 19 uur per week wordt gewerkt. Dat betekent dat anders dan nu, meer mensen voor die weg kunnen kiezen. Ze hoeven niet meer bang te zijn dat ze daardoor terugvallen op de bijstand.
Uitgangspunt is dat een dienstbetrekking in de WIW als een tijdelijke baan begint op het minimumloon. Daarna kan de dienstbetrekking worden omgezet in een contract van onbepaalde tijd tegen maximaal 120% van het minimumloon voor 32 uur. Met een verruiming naar meer uren voor mensen die alleen zo uit de uitkering kunnen komen. En met - voor het eerst - ruimte om binnen deze kaders CAO-afspraken te maken. Dat is dus meer dan wat nu nog kan voor de banenpoolers.
Maar evengoed kan de tijdelijke baan natuurlijk zoveel kennis en vaardigheden hebben opgeleverd dat het weer de moeite loont om te solliciteren en de oversteek naar de beter betaalde baan te maken.
De kansen op meer dynamiek kunt u bieden. Maar ze liggen uitdrukkelijk ook bij de mensen zelf. En mensen willen werken. De brieven die ik krijg, spreken wat dat betreft boekdelen.
Natuurlijk staan er altijd mensen aan de zijlijn die zo hun bedenkingen hebben bij dit soort voorstellen. De constructie is nog te ingewikkeld, de beloning te laag. Ik ken de geluiden. Maar laten we wel wezen. Wat zijn de alternatieven? Niets doen en kijken of mensen op eigen kracht uit de bijstand kunnen komen? Lukt het niet, pech gehad?
Ik zet liever in op constructieve wetsvoorstellen en professionele sociale diensten die werk maken van de uitkering. Als noodzakelijke aanvulling op de hoofdroute van het beleid die voert langs lastenverlichting, flexibiliteit en zekerheid en herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid.
We spreken over bijna een half miljoen mensen. Verdeeld in kansrijk en kansarm. Die indeling maken we op grond van ervaringen in het verleden. En die ervaringen hebben hun nut. Maar de kunst is daar niet in te blijven steken.
De uitdagende opdracht voor u blijft: werken op maat, persoonlijk en doelgericht. Zonder stigma, met oog voor het potentieel dat in ieder mens schuilt. En met vertrouwen in gemeenten die meer dan voorheen ruimte krijgen in regels en middelen. Omdat investeren in sociaal draagvlak voor een hechte samenleving daar begint.